RAADGEVER ANGST (thriller)

(Voor deze scène kreeg ik ineens inspiratie toen ik in mijn zomervakantie bij een pas gedolven graf stond). 

 

Met een hart dat hem klopte in de keel, zette hij zijn fiets naast een aantal andere fietsen in de standaard voor de VVV. Het schemerde al behoorlijk en het was nog steeds erg warm. De tropische hitte van de dag nam vanavond maar heel langzaam af. De thermometer op het dak van een bankgebouw dat hij voorbij gefietst was, stond net nog op 27 graden.
    Terwijl hij zijn fiets op slot deed, spiedde hij schichtig om zich heen. Een paar vrouwen in luchtige zomerjurken die hem voorbij liepen, twee pubers met een godzijdank gemuilkorfde pitbull die het marktplein overstaken. Een oude man in een scootmobiel die in zichzelf mompelde. Niets om zich zorgen over te maken, toch?
    Even later liep hij, waakzaam om zich heen kijkend, over straat en passeerde IJssalon Talamini die net zijn deuren sloot. De laatste toeristen verlieten het nog verlichte terras. Hij keek op zijn horloge, zakte neer op een rieten stoel van het terras en voelde voorzichtig aan zijn kalende kruin. Stom dat hij zijn pet vandaag vergeten had. Z’n hoofd gloeide helemaal. Hij tastte in de zak van zijn bermuda en haalde het briefje tevoorschijn. Het bonken in zijn keel nam weer toe en hij merkte hoe het zweet hem al weer in de handen stond. 

Door tragische omstandigheden……
            KAREL KLEIN 

Even sloot hij zijn ogen om een opkomend gevoel van duizeligheid de kop in te drukken. De rest van de tekst las hij niet meer. Die stond op zijn netvlies gebrand. Regels, die hem de meeste schrik hadden bezorgd en waardoor in één klap de angst terug was gekomen.

    Somber frommelde hij het anonieme briefje tot een prop in elkaar. Een week lang beheerste dit nu al zijn leven, bij alles wat hij deed, waar hij ook maar was. Dag en nacht. Zelfs nu in deze stad, terwijl niemand van kantoor wist dat ze er een paar dagen tussenuit waren, vroeg hij zich toch constant af of hij in de gaten werd gehouden.
    Hij kon niet naar de politie gaan en zeggen: ik word bedreigd. Omdat hij hen geen antwoord kon geven op hun waarom. Dan zou alles weer worden opgerakeld. En bovendien, Martha wist van niets.

    Hij kon evengoed de prop weggooien. Het was toch maar een kopie. En het origineel lag immers op een veilige plek op kantoor. Maar stel je voor dat… 
    Hij maakte zijn gedachte niet af, streek het papier weer glad en deed het opgevouwen terug in zijn broekzak. Toen kwam hij overeind en liep door de uitgestorven winkelstraat naar het café, tweehonderd meter verder, terwijl hij af en toe weer schichtig om zich heen keek.

Bij de ingang van het café deinsde hij achteruit. De warmte en de rook sloegen hem tegemoet en de luide rock-’n-roll-muziek van de Britse band deed zeer aan zijn oren. Wat doe ik hier, dacht hij, maar een groep jongelui achter hem – waar kwamen die ineens zo snel vandaan – stond te dringen en hij kon niet meer terug. Hij was nog verbaasder toen hij Herbert zag. Die kwam enthousiast – met een vol dienblad – op hem af..‘Leuk dat je gekomen bent,’ schreeuwde hij als was het de gewoonste zaak van de wereld dat hij hier rondliep als ober. ‘Waar is Martha?’

    ‘In het hotel,’ riep Karel verbouwereerd en maakte met zijn vingers tikbewegingen. ‘Deadline.”

    Herbert lachte en schudde zijn hoofd. ‘Ik heb ‘t druk. We praten straks verder, oké?’

    Karel keek hoe Herbert zich behendig door de mensenmassa wrong en zijn bestelling afleverde bij een tafel vlak bij de kleine dansvloer. Ongelooflijk dat die tengere Indo al 36 was, even oud als hij zelf. Maar Herbert zag er tien jaar jonger uit. Dat kon hij niet van zichzelf zeggen. Van zijn vroegere halflange haar was niet veel meer over. Hij was nu al behoorlijk kalend en had inmiddels een snor. En hij was minstens vijftien kilo zwaarder dan toen. Hij vergeleek zich met andere zomers geklede mannen in het café en constateerde dat hij er vrij onopvallend uitzag. Dat kon wel eens een groot voordeel zijn.

Automatisch ging zijn hand weer naar het briefje in zijn broekzak.

    De zanger van de band kondigde aan dat het pauze was en Karel zocht een plaatsje. Het was stampvol aan de bar en de meeste tafels waren bezet. Uiteindelijk belandde hij bij een hoge bartafel, vlak bij de muziek. Van hieruit kon hij bijna het hele café overzien en had hij zicht op wie er binnenkwamen. Zowel bij de in- en achteruitgang stond een potige kerel met een kaalgeschoren hoofd die met gefronste wenkbrauwen het publiek in de gaten hield. Vermoedelijk ordebewaarders van de band. In leer gekleed.

     Herbert bracht hem even later een pilsje. ‘Rondje van de zaak,’ zei hij met een vette knipoog. Karel nam een slok en liet zo onopvallend mogelijk zijn blikken over de mensen gaan, terwijl hij flarden van gesprekken opving. Er waren veel Duitsers en links van hem zat een groep Engelsen. Maar de drie jonge meiden in hun wijde broeken en naveltruitjes, die met de rug naar hem toe stonden, spraken onvervalst Twents. Die blonde was het meeste aan het woord. ‘Wat een hufter,’ klonk het verontwaardigd. ‘Wat verbeeldt die klootzak zich wel niet? Dat het hele café van hem is zeker.’ Karel spitste zijn oren.

‘Heb ik wat gemist?’ zei een vierde meisje dat er bij kwam staan.

   ‘Kun je wel zeggen, ja,’ zei de blonde en begon blijkbaar niet voor de eerste keer met haar verhaal, want de andere twee verdwenen richting toiletten. Ze keken nog even achterom en Karel dacht dat zijn hart stil bleef staan. Die donkere was net Marion en het meisje met dat halflange rode haar leek sprekend op Mirjam. Maar dat kón toch niet? Godsonmogelijk.

   ‘Zitten we gezellig aan de bar, komen daar ineens die ordinaire kerels weer aan,’ hoorde hij de blonde zeggen. ‘Zegt die ene met het shagje nog in z’n mond: ‘ik voel dat je kutje helemaal nat is.’ Wat dacht je? Ik was al weg. En die kerels maar grijnzen.’

   Nu had Karel het helemaal niet meer. Het zweet brak hem uit. Want hij kende er maar één die dat altijd op zwoele toon zei, als hij een plek aan de bar wilde hebben. Verwilderd keek hij om zich heen en zijn adem stokte toen hij zag wie er uit het halletje kwam, daar vlakbij de toiletten. 

Een boom van een kerel in zwart shirt en bermuda met gespierde getatoeëerde armen. Ordinair kauwend. Maar die zat toch nog veilig achter slot en grendel? Zijn straf zat er pas over een maand op. Nog altijd die blonde vetkuif. Jezus Christus, hij kwam rechtstreeks op hem af. Met Leo Zandberg op zijn hielen.

   ‘Shit, daar heb je die hufters weer,’ zei die blonde meid en greep haar vriendin bij de arm. Ze maakten dat ze wegkwamen.
   ‘Ha, die Kareltje.’ Hij kreeg een krachtige stomp tegen zijn arm. Het deed zeer, maar hij peinsde er niet over te wrijven over de plek die gekneusd aanvoelde.

   ‘Fr…. Frankie Lap,’ kon hij alleen maar uitbrengen. ‘En Leo. Dat…. dat is lang geleden.’

   ‘Zeg dat wel,’ zei Leo die geen spat veranderd was. Nog altijd hetzelfde door de zon gebleekte haar en een ringetje in één oor.
Ze wisselden wat algemeenheden uit en toen vroeg Leo waar hij zich tegenwoordig mee bezighield. Het klonk belangstellend en Karel kon er niet onderuit iets te vertellen over zijn administratiekantoor. Tot zijn verbazing bleek Leo hetzelfde beroep te hebben en ze praatten er een tijdje over door. En natuurlijk waren er de geijkte vragen. Of ze getrouwd waren en kinderen hadden.

   Frankie deed er het zwijgen toe, wreef over zijn getatoeëerde armen en blies een paar keer bellen van zijn kauwgum.
   Als hij door dat rottige briefje in zijn broekzak, waar hij steeds aan voelde, niet zo van streek was geweest, zou hij het gesprek met Leo leuk gevonden hebben. Nu was hij zich al die tijd bewust van Frankie’s ogen. Die stonden fel en wild.

   Naast hen hadden de bandleden weer plaatsgenomen en ze moesten nu schreeuwen om elkaar boven de muziek uit te verstaan.

   Frankie steunde op de hoge bartafel. Zijn nagels waren afgebroken en vuil. ‘Nog altijd bang voor honden?’ riep hij.

   Karel schrok en automatisch ging zijn hand naar zijn kin. Stom, dat hij dáár niet aan gedacht had. Hij had zijn baard moeten laten staan.

   ‘Ik herkende Kareltje aan het litteken,’ schreeuwde Frankie en bulderde van het lachen terwijl Leo hen niet begrijpend aankeek.

   ‘De hond van de buren heeft me aangevallen,’ legde Karel uit. ‘Toen ik vier jaar was.’

   ‘Onze hond,’ riep Frankie. ‘Klote dat ze ‘m afgemaakt hebben.’ Hij maakte een grommend geluid.

   Karel durfde bijna geen adem meer te halen. Het zweet liep hem in straaltjes over zijn rug. Hij had vast en zeker vochtplekken onder zijn oksels. Hij deed moeite om kalm te blijven. Hij moest vooral geen angst tonen.

  ‘Hee man.’ Frankie sloeg hem op zijn schouder. ‘Geintje.’ 

‘Was dat briefje soms ook een geintje?’ Karel begreep niet hoe hij het zo rustig had durven vragen.

  ‘Briefje? Welk briefje?’ schreeuwde Frankie met een stalen gezicht terwijl hij weer een bel blies.

   Karel zag de grote bruine enveloppe weer voor zich. Met “vertrouwelijk” er op. ‘Laat maar,’ riep hij en probeerde te glimlachen. ‘Geintje.’

   De blikken die de beide mannen tegenover hem uitwisselden, spraken boekdelen. ‘Enfin, welkom op m’n feestje,’ schreeuwde Frankie en sloeg hem weer krachtig op zijn schouder.‘Eindelijk uit de bak. Verrek, nou moe ‘k alweer zeiken.’

    Karel volgde hem met zijn ogen en zag dat Frankie niet naar de toiletten ging, maar naar de potige kaalgeschoren ordebewaarder bij de achteruitgang. Ho es even, dat was toch niet Frankies broer? Ja, warempel. Dat hij dat niet eerder had gezien. Frankie stond druk gebarend met hem te praten. En ze keken wel erg vaak zijn kant op. Frankies broer leek begrijpend te knikken.

    Hij schrok op van Leo’s stem. ‘Leuk met je gesproken te hebben, Karel. Ik zie je nog wel. Even naar Wibo.’

   Nu volgde hij Leo met zijn ogen. Die liep naar de potige ordebewaarder bij de ingang. Jezus Christus, dat was Frankies maat. Die had niet een al te beste reputatie. Deed vroeger altijd alles wat Frankie van hem vroeg. Shit, hier van hetzelfde laken een pak, Wibo’s zoekende blik, zijn instemmend geknik. Ze hadden het op hém gemunt. Dat kon niet anders.

Karels ogen gingen beurtelings van links naar rechts. De muziek zette het nummer Jailhouse Rock in. Frankie trok een jonge vrouw de dansvloer op. In een ommezien was de dansvloer tjokvol. Herbert was druk bezig achter de bar en Leo stond nu met de rug naar hem toe bij de ingang. Dit was zijn kans.

   Karel wurmde zich door de menigte, liep langs de dansvloer, keek zo vriendelijk mogelijk naar Frankie’s broer bij de achteruitgang en verdween in het daarnaast liggende halletje dat naar de toiletten leidde. Hij sloot aan in de rij wachtenden en schuifelde door totdat het halletje een bocht maakte en hij uit het gezichtsveld verdween. Een deur met een bordje Privé.

    Toen hij hier gisteren was, had hij gezien dat de deur los was. Een kind had even zijn hoofd om de deur gestoken en hij had een vrouw horen roepen: ‘dat mág niet.’ Vastberaden greep Karel naar de deurkruk. God zij geloofd.

Hij vergat niet de sleutel aan de binnenkant om te draaien. Via een smalle gang, belandde hij in een schaars verlichte bijkeuken en even later stond hij buiten in een donkere steeg die, als je linksaf sloeg, uitkwam in de winkelstraat. Maar voor geen goud nam hij dezelfde weg terug. Hij sloeg rechtsaf, rende van de ene in de andere steeg en wist niet hoe hij het had toen hij vastliep in een doodlopende steeg. Bij een huis floepte er een buitenlamp aan en er begon ergens een hond te blaffen.

    De schrik blokkeerde zijn benen volledig. Trillend en buiten adem liet hij zich naast een grijze afvalcontainer zakken. Een deur ging open en een zware mannenstem riep: ‘Wodan, zoek.’

    Karel drukte zich stijf tegen de muur en zocht naar het briefje in zijn broekzak. Dat kwam van Frankie. Zeker weten.

     Denk maar niet dat ik de bak riskeer voor nog een moord. Zat andere mogelijkheden….

    Hij kneep het briefje tot een prop in elkaar, terwijl de hond grommend dichterbij kwam en dreigend zijn tanden liet zien. Een pitbull.

    Hij sloot zijn ogen. Frankie zou het op een presenteerblaadje krijgen. Dit was zijn einde.

 

Iemand hield een hand voor zijn schreeuwende mond en schudde hem heen en weer. ‘Stil een beetje, je maakt het hele hotel wakker. Ssst. Stil nou.’

    Het duurde even voor tot hem doordrong waar hij was. Als verdwaasd zat hij op de grond, stijf tegen de muur gedrukt, naast een kast. Martha zat vrijwel naakt op haar knieën bij hem.

  ‘ Je had een nachtmerrie,’ zei ze. ‘Je bent de hele week al niet jezelf. Wat is er toch met je aan de hand? En waarom heb je je bermuda aan? Jezus, je hebt in je broek geplast.’

     Hij was niet in staat iets te zeggen.Geschokt voelde hij in zijn kruis toen hij wankelend overeind kwam en hij wilde zo snel mogelijk naar de badkamer vluchten.. Maar Martha griste de prop papier uit zijn handen en versperde hem de toegang. Met haar rug tegen de deur las ze het briefje.

    ‘Dus jij óók al,' constateerde ze nuchter. ‘Ja, kijk maar niet zo geschrokken. Je bent niet de enige hoor. Wat dacht je waarom ik dit hotel zo plotseling heb geboekt? Niet omdat ik vond dat we er nodig eens uit moesten. Dat was maar een smoesje.’

    Martha hapte naar adem. ‘Ik kreeg thuis een briefje met twee namen er op. Marion en Mirjam. En daarachter een doodskop getekend. En daaronder stond: Wordt Martha de volgende?’

    Kreunend liet hij zich op de grond zakken.

    Martha torende hoog boven hem uit. Haar armen over elkaar.‘Wat heeft dit allemaal te betekenen? Zou je me eindelijk niet eens vertellen wat er aan de hand is?’

 

 Piety Veenema

 Dit was ooit een schrijfopdracht uit mijn schrijfcursus. De opdracht luidde: Uw hoofdpersoon ontvangt twee oude vrienden (thuis, of in een bar, blokhut, zeilboot…) Hij is gewaarschuwd: die vrienden beramen een complot tegen hem. Hij moet gedood worden, of uit zijn hoge functie worden gezet. Beschrijf deze ontmoeting. Voeg ook één dramatisch voorval in, waardoor duidelijk wordt hoe reëel de dreiging is.