DE SJACHERAAR


Fragment:
Hopelijk merkte Koos niet dat ik griezelde van zijn lege mond en zijn lange vette haar. En dan die rouwranden onder zijn nagels. Beleefd blijven, hield ik me voor.
 

‘Op de toekomst Brenda,’ zei mijn collega Ank.  We stonden bij de tap een toost uit te brengen. Ik was hartstikke blij. Net tweeëntwintig jaar geworden en net geslaagd voor mijn rijbewijs.‘Nu nog een auto,’ zei ik, terwijl op datzelfde moment iemand links van mij aan de bar plaatsnam. Ik zag hem niet, maar ik rook hem. Ja, het moest wel een man zijn, want een geur van smeerolie vermengd met zweet drong mijn neus binnen. Getverderrie.

‘Een pilsie graag,’ hoorde ik daarna naast me. Een hese mannenstem. ‘Hee, wie hebben we dáár.’ Hij kwam van zijn kruk en ging bij ons staan. ‘Ha, Ankie. Alles oké? Zin in een pilsie? En jij?’
We zeiden tegelijk ‘nee’ en wezen beiden op ons volle glas.
Ank keek een andere kant op. Haar lange blonde haar hing als een gordijn voor haar gezicht. Daardoor kon ik haar ogen niet zien.
 
De man was klein, had vast Abraham al gezien. Een Catweazle-achtig figuur, tandeloze mond en een ruige grijze baard. Vuile gympen onder een versleten spijkerbroek. Toen hij zijn bier van de kastelein aanpakte, over onze hoofden heen, zag ik vettige vlekken op de mouwen van zijn grijs gebreide slobbertrui. Hij keek afwachtend naar Ank die haar gezicht met zichtbare tegenzin weer omdraaide.

‘Een tijd niet gezien,’ zei Ank langzaam. ‘Niet… dat ik daar rouwig om ben, maar…’
‘Effe geen tijd gehad,’ snoefde de man meteen, nam een flinke teug uit zijn glas en likte het schuim van zijn lippen. ‘Hoe is ’t met Fer. Gaat ie goed?’
‘Ja hoor.’ zei Ank en keek weer demonstratief van hem weg.
‘Nog altijd effe afstandelijk,’ zei de man. ‘Kóós,’ vervolgde hij toen met uitgestoken hand naar mij.

Hij kneep m’n hand bijna fijn toen ik me voorstelde en hij vroeg gelijk of ik hier wel vaker kwam.
‘Nee,’ zei ik, ‘ik ben hier toevallig met mijn collega. Eigenlijk ben ik niet zo’n kroegtype.’
‘Da’s j’aan te zien,’ zei Koos.
Ik voelde dat ik een kleur kreeg en wist niet wat ik daar op te zeggen had. Ik ben lang niet zo gevat als Ank, maar die hield haar kaken stijf op elkaar.
Koos knikte vriendelijk naar me. ‘Geeft niks, meissie.

Hopelijk merkte Koos niet dat ik griezelde van zijn lege mond en zijn lange vette haar. En dan die rouwranden onder zijn nagels. Beleefd blijven, hield ik me voor. Het is tenslotte maar de buitenkant. Verder leek hij me eigenlijk best wel aardig.

‘Dússs…. bij Ank op k’toor,’ zei Koos glimlachend en ik volgde zijn blik naar Anks afgewende hoofd. Koos knipperde met zijn ogen, keek mij weer aan.  ‘Ik ben een manus v’n alles,’ vervolgde hij. ‘ ‘k Woon hier om de hoek. ‘k Handel in van alles ‘n nog w’t.’
‘Voorál in tweedehands áutoradio’s,’ zei Ank nogal sarcastisch en draaide met een ruk haar hoofd om.  ‘En in allerhande onderdelen voor Oldtimers. Z’n huis staat er vól mee. Je kunt je kónt er niet kéren.  Zélfs op de sláápkamer staat het vól met troep. Z’n vrouw kon er níet meer tegen. Die heeft….’
‘Laat Hennie d’r buite.’
‘Het is toch zo? Dáárom ging ze van je af.  Ze kon niet langer tegen die rotzooi. En ík vind…’

‘Ja,ja,  dát weet ik wel,’ snoerde Koos haar de mond. Hij nam een ferme slok van zijn bier. 
Ik wist niet hoe ik het had. Zó kende ik Ank helemaal niet. Op kantoor was ze altijd even vriendelijk en open. En heel charmant. Nu ontweek ze mijn blik.
‘Je stinkt,’ zei ze verontwaardigd tegen Koos. ‘Om je dood te schamen. Had je niet even wat anders aan kunnen trekken?’
‘k Kom net uit de smeerkelder. ‘k Heb olie ververst.’
‘Altijd en eeuwig hetzelfde smoesje.’
Ank staarde in haar glas.
Ik keek nog eens goed naar Koos. Zijn neus. Zijn ogen. En ineens begreep ik waarom Ank zo raar deed.

Koos keek mij aan:: ‘Heb j’n autootje nodig meissie? ‘k Heb nog een prima wagetje staan. ’n Renault. Z’shonderd balle, dan is ‘tie voor jou. De b’zineslang is w’t p’reus,  mot je effe late vervange, maar ’t is een pri-ma wagetje. As j’m koopt, krijg je d’r een radiootje bij.”
‘De dealer hier verderop heeft ook leuke aanbiedingen,’ zei Ank koel en somde al vingertellend een aantal prijzen op.
Somber schudde ik mijn hoofd. ‘Veel te duur voor mij. Zoveel geld heb ik niet.’ Ik stond te aarzelen. Die Koos was toch best wel joviaal. 
‘Je ken zo effe kome kijke, meissie. Pri-ma wagetje. Zeke wete...’

‘Hij rommelt maar wat áán Brenda,’ waarschuwde Ank. ‘De benzineslang wat poreus,’ snauwde ze ineens. ‘Alsof het niets is. Le-vens-ge-vaar-lijk man.’ Dreigend hief ze haar vinger op. ‘Wáág het niet, om haar een van jouw wrakken aan te smeren. Ouwe sjacheraar dat je bent.’ Bruusk draaide  ze zich om. ‘Ik wil niets meer met je te maken hebben. Rót op pa. Rót op!’

Piety Veenema

Dit was een schrijfopdracht in mijn cursus : "het karakteriseren van personages"

Reageren op mijn verhaal? Dat kan via Contact (rechtsboven op de Startpagina)