PENSIONADO? (gastcolumn)

 

Op middelbare leeftijd voel ik
me van alles; middelbaar,
puberaal, kinderachtig

Afgelopen vrijdag werd ik vijfenzestig jaar. Ik stond die dag toevallig met foto en al in deze krant met mijn oldtimer, maar de echte oldtimer ben ik dus zelf. Zegge en schrijve 65, vijfenzestig, een ongehoorde leeftijd die ik vroeger placht te associëren met biljartende mannen en bejaardentehuizen. 

Ter gelegenheid van mijn verjaardag keek ik in mijn oude schoolagenda's uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw; niemand daarin was vijfenzestig, zelfs mijn leraren niet, hoe oud ik ze ook vond. En ook mijn ouders waren het niet. Ja, mijn grootouders maar daar waren ze dan ook mijn grootouders voor. Ik kon me niet voorstellen dat ik het ooit zou worden al was ik ook niet van plan voortijdig uit te stappen.

Vijfenzestig was vroeger een memorabele leeftijd, waarop je met van alles ophield. Dat is klaarblijkelijk niet meer zo, ik ga pas over een tijdje op een volkomen willekeurig moment officieel met pensioen, al doen schrijvers daar niet erg aan, want zoals Vestdijk al over het schrijven zei: je kunt er toch bij blijven zitten.

Ik doe erg mijn best mij vijfenzestig te voelen maar om eerlijk te zijn ben ik al sinds mijn vijftigste de draad kwijt. Van het vroegere idee dat je op middelbare leeftijd een ander mens wordt merk ik weinig of het moet zijn dat ik me sindsdien eigenlijk van alles voel, volwassen, middelbaar, puberaal, kinderachtig.

De zaterdag na mijn verjaardag bezocht ik een herdenkingsavond van twee bevriende dichters, F. Starik en Menno Wigman, die beiden vorig jaar vlak na elkaar overleden aan iets met hun hart. Allebei geen vijfenzestig geworden maar ergens tussendoor weggeplukt. En ik las er twee gedichten voor waarin ze zelf met de dood bezig waren, want daar kom je nu eenmaal niet omheen, dat je doodgaat, hoe welig je ook lijkt te tieren. En vanzelf dacht ik aan andere vrienden die het niet gehaald hadden en aan vroeggestorven componisten als Mozart en Schubert die nog geen veertig waren geworden, en aan een in mijn ogen oude dichter als Leopold die toch ook maar zestig was geworden.

Ja, treurig maar toch een heel vruchtbaar en nuttig leven gehad. En omdat ik nu toch bezig was met mijn alomvattende leeftijd probeerde ik alvast te bedenken hoe ik er op mijn vijfenzeventigste bij zou zitten, en op mijn vijfentachtigste, wat een heel redelijke leeftijd is om te sterven, achttien jaar na je AOW want daar gaat de Nederlandse staat van uit, dat je achttien jaar AOW krijgt. Kortom, wat je er ook van kunt zeggen en hoe onbeduidend je vijfenzestigste levensjaar ook is geworden, het maakt je wel even beschouwelijk, hoe is het om ver over de helft te zijn?

Maar daarna zakte de beschouwelijkheid ook weer in en ging ik langs het strand wandelen alsof ik de eeuwigheid bezat en keek ik 's avonds naar Studio Sport alsof ik nog honderden competities zou meemaken en las ik, zonder me op te winden, een boek van een achtendertigjarige schrijfster met haar hele leven nog voor zich, en raakte niet van de kook. Om met Kopland te spreken 'daar ben ik werkelijk hard in'.  
 

Rob Schouten 

Reageren? Mail dan naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.