NA EEN ZWOELE ZOMERAVOND

Een uitbreiding van het gedicht "Op een zondagmorgen"
na de hittegolf in augustus 2020


Met de wind in de rug fiets ik door het weidse land
Nog altijd zonder ondersteuning, wel versnelling bij de hand
Met de wind in de rug fiets ik al vanaf half acht
't Is nu bijna kwart voor acht en nog geen fietser die naar me lacht

Wel twee honden in de verte lijken uitgelaten blij
Geen gekwaak meer in de sloten, ’t paarseizoen is al voorbij
En ik zie twee lange oren, fier rechtop, daar, in het gras
En ik denk aan een gedichtje: ‘k Wou dat ik twee haasjes was…

Plotsklaps schrikt de stilte wakker, waan ik mij niet meer alleen
Zelden zag ik zoveel zwermen zwarte vogels om mij heen
’t lijken merels, maar geen spreeuwen, pikkend in ’t gedorste veld
Nee, toch kauwen, met wat meeuwen, zwenkend al weer weg gesneld

‘k Zie drie jongen met ma meerkoet dobberend door het eendenkroos
En een reiger aan de slootkant op één poot, bewegingloos
Zilverreigers bij een rietkraag, drie, vier, vijf! Zo wit, zo licht
En een grijze tussen melkvee: wadend, spiedend, frappant gezicht

Door het park vol wilde bloemen trap ik naar ons dorp terug
Eldorado van verlangens, ‘k sta stil bij elke houten brug
Met wat wind op de fiets een verkoelende ochtendbries
Na zo’n zwoele zomeravond is dit wat ik het liefst verkies…